9. The French Connection
In Frankrijk heb ik ontzettend veel avonturen beleefd. Ik heb er dan ook meer dan een maand gezeten, in een van de gebieden met de meeste Palaeolithische vindplaatsen ter wereld. Bovenal heb ik er veel inspiratie opgedaan, veel vrienden gemaakt en heel veel grotten gezien. Ik kon hier de oertijd bekijken vanuit Franse ogen.
Maar er waren ook genoeg moeilijkheden. De experts in de rest van Europa waarschuwden al dat de Fransen erg moeilijk kunnen zijn. Ze hebben ook wel veel om trots op te zijn. 150 jaar aan onophoudelijk onderzoek maakt Frankrijk de archeologisch langst bestudeerde regio ter wereld, met steentijdvindplaatsen die reiken van Homo erectus helemaal tot aan het Neolithicum. En ze hebben ook nog eens wereldberoemde versierde grotten zoals Lascaux en Chauvet. Het is niet overdreven om te stellen dat de Fransen hierdoor een kleine collectieve obsessie hebben gekregen met de prehistorie. Zodoende zijn de wetenschappers en musea een tikje hautaine, en het benaderen van de musea bleek een tikje kafkaesque. Vrijwel alle musea die ik had benaderd in de rest van Europa stonden er na één mailtje meteen voor open dat ik op bezoek kwam, en ontvingen me voor gesprekken en soms ook een rondleiding. Niet in Frankrijk. Ik had wel tien musea benaderd, maar er kwam nooit respons. Pas du tout. En als ik belde: "Oh, interessant, stuur even een mailtje en dan kijken we ernaar." De clichés leken dus te worden bevestigd, maar ik had enige hoop: ik spreek een aardig woordje Frans. Ik vermoedde dat de institutionele benadering stroef zou blijven, maar dat er face à face veel te regelen zou zijn, eventueel na een wijntje of twee. Mijn plan was om overal gewoon te komen opdagen en aan de balies te blijven tot ik iemand kon spreken.
Mijn eerste stop was Marseille. Normaal gesproken zou ik hier nooit naartoe gaan vanwege alle verhalen over de criminaliteit, maar ik wilde het erop wagen omdat er een bijzonder museum staat: Cosquer Méditerannée, de replica van de Cosquer grot. Mijn haren gaat altijd overeind staan als ik aan de ontdekking van deze grot denk. De ingang van de grot ligt 37 meter onder zeeniveau aan de kust dichtbij Marseille; tijdens de IJstijd lag het zeeniveau zo'n 100 meter lager, en lag de kust 8 km verder. De duiker Henri Cosquer vond na vele pogingen een weg door het ondergelopen gangenstelsel, en trof helemaal aan het einde, weer 30 meter omhoog, een kamer waar nog lucht in zat… vol grottekeningen. Paarden, penguïns, handstencils. Er zijn er meer dan 500 ontdekt in het droge gedeelte, wat impliceert dat deze grot oorspronkelijk mogelijk duizenden tekeningen bevatte. Op een rots lag nog een oester die was gebruikt als vetlampje. Dit was wel een museum om mee te pakken. Vol goede moed benaderde ik de balie, en ik heb nog iemand van het communicatieteam kunnen bellen, maar het is niet verder gekomen dan "Leuk, laat je mailadres achter dan kijken we ernaar". Helaas, maar goed, mijn film heet dan ook niet De Poten van de Pinguïn. De replica was gelukkig erg mooi.

Wat ik wel jammer vond is dat de ochtend erna in mijn auto was ingebroken. Hij stond in een garage waar je alleen met een code in kon komen, maar dat heeft de dieven niet tegengehouden. Ze zagen waarschijnlijk de grote speaker liggen die ik voor mijn bioscoop gebruikte, sloegen een ruit in en hebben hem meegenomen. Samen met mijn rugzak, en bovendien mijn hele camerakit… meer dan 2000 euro aan materiaal, en ik was helaas niet verzekerd. Ontzettend vervelend, en ik was er zeer van geschrokken. Nu was ik een filmmaker zonder camera. De dieven hadden wel een beetje met me meegedacht: ze hadden de truien en T-shirts uit mijn rugzak gegooid, waarschijnlijk om de speaker er vervolgens in te doen. Mijn sokken en onderbroeken hebben ze wel meegenomen.

Ik was hier erg droevig over maar ik had snel besloten niet bij de pakken te gaan neerzitten. Diezelfde ochtend ben ik naar de Ardèche gereden, naar het Chauvet2 museum. Al twee jaar probeerde ik het museum te bereiken, aangezien mijn film geïnspireerd was door hun patrimoine en ik met hun experts wilde samenwerken aan de volgende film. In de auto deed ik mijn nette outfit aan: blauw linnen jasje, cord du roi broek en bruinleren schoenen. Wel met sokken van gisteren. De rest was gestolen. Aan de balie stelden ze voor of ik mijn mailadres kon achterlaten, maar nee, dat was vandaag geen optie. Het hoofd van de balie werd geroepen, en die nam me mee naar iemand die in de tentoonstelling rondliep, en die kon me meenemen naar de mensen die de replica runden. Tot zover de hiërarchie bij Chauvet2. Een hiërarchie overigens die niet meer lijkt te bestaan zodra je de treden bent beklommen; dan zijn de mensen hartstikke vriendelijk, dan zit je op hun niveau. En de teamleden hier, drie waren het, stonden er na mijn uitleg in nerveus Frans zeker voor open dat ik in hun kantoor even mijn film vertoonde. Spannend! Maar het viel geweldig in de smaak. Mijn film paste precies bij hoe het museum de prehistorie wilde weergeven. Zonder geweld, met wat humor en geschikt voor het hele gezin. Ze waardeerden hoe ik een nauwgezet oog voor de archeologie had, dat de wetenschap zo'n duidelijke plaats had. De medewerkers zouden hun uiterste best doen om mijn film bij het management aan te prijzen, en wellicht dat het zo wel een plek zou krijgen in het museum.
Zulke achtbanen heb ik niet vaak meegemaakt. Van heftige inbraak tot artistieke erkenning op één dag. Bovendien kwamen toevallig deze avond vier vrienden van me naar de Ardèche, waar we 5 dagen een huisje hadden geboekt. Goed, ik wacht nog steeds (januari '26) op uitsluitsel van Chauvet2, maar nu had ik zeker weten alles gedaan wat ik kon om mijn project bij ze onder de aandacht te brengen. En ik zou gewoon doorgaan met de reis. Ik kon nog steeds door met mijn auto, ik had nog steeds een beetje geld en de musea wilden nog steeds met me samenwerken. Ik liet me niet zo snel tegenhouden.
Na de Ardèche bleef één vriend hangen en de rest ging terug naar Nederland. Met z'n tweeën gingen we naar de Dordogne, een streek waar je langs de weg wordt doodgegooid met bordjes die oertijdsites aankondigen. Het is dan ook een van de regio's met de hoogste concentratie gedecoreerde prehistorische grotten ter wereld. En bovendien: je kan er meerdere in het echt bekijken. Niet de replica's (hoewel Lascaux IV er ook mag zijn), maar de authentieke gravures en dierenschilderingen die mensen er tienduizenden jaren geleden hebben gemaakt. In een paar dagen bezochten we de fenomenale grotten van Les Combarelles, Bernifal, Font de Gaume, het reliëf van Cap Blanc... en we zagen de prachtige collectie van het Musée National de Prehistoire in Les Eyzies. Iedere keer als ik voor een echt kunstwerk uit het paleolithicum sta heb ik een mystieke belevenis. Dat klinkt misschien overdreven, maar dat is de beste manier om het uit te drukken. Het gevoel wat mij doordringt is dat ik op zo'n moment voor de zeeën van tijd sta die liggen tussen mij en de persoon die het werk vervaardigde. En bovendien de schoonheid, verfijndheid, het vakmanschap wat het voorwerp uitdrukt. Dat ik zo geconfronteerd word met de ontegenzeggelijke menselijkheid van een tijdperk wat voor altijd verloren en onbegaanbaar is. In mijn tijd in Frankrijk had ik het grote geluk dit meerdere keren per week te ervaren. Het diepst ben ik geraakt door Peche Merle, zowel de tekeningen als de geologie, waar ik geen woorden voor heb.
Mijn vriend ging weer naar huis, waar hij, geïnspireerd door wat hij had gezien, met groot enthousiasme boeken over de prehistorie begon te verslinden. We hadden in een plastic chaletje geslapen, maar ik had zelfs geen budget om dát de rest van de reis te doen, dus zelf ging ik weer op zoek naar een boer waar ik mijn tent kon neerzetten (zie blog 7). Ik hoopte in de buurt van Les Eyzies te zitten, zodat ik elke dag naar het museum of de grotten zou kunnen gaan en bovendien 's ochtends te voet een baguette zou kunnen halen. De eerste boer die ik via de satellietfoto's van Google Maps had gevonden had alleen een stuk gras voor me, maar daar zat dan geen douche of wc bij; niet ideaal. Het tweede huis waar ik aanklopte bleek geen boerderij te zijn, maar gewoon een huis van een gepensioneerd stel met een grote tuin. Het waren Pierrot en Gizelle, twee ontzettend vriendelijke en gastvrije mensen die sinds jaar en dag al allerlei mensen op hun terrein hadden wonen. In de zomer kwamen hier vaak vrienden van vrienden (en ook weer hun vrienden) naartoe voor het seizoenswerk. Momenteel woonden er een Nederlandse man in een houten huisje, hun kleinzoon in een studio, een vrouw in een caravan én een documentairemaakster in een yurt. Toen ik uitlegde waarom ik in Les Eyzies was stonden ze er zonder meer voor open dat ik op hun terrein zou slapen. Ze boden me zelfs het busje van hun kleinzoon aan, wat, ik moet toegeven, een stuk comfortabeler was dan mijn tent gegeven alle regen en vrieskou die deze november door de Dordogne trekt. Hier evenals in de rest van Europa was ik zo blij verrast door de vrijgevigheid en gastvrijheid van de mensen. Ik zat twintig minuutjes lopen van het nationale museum, ik had dan geen camera meer maar mijn reislust was groter dan ooit.

Ik heb meer dan een maand in Les Eyzies doorgebracht. Ik begon me gehecht te voelen aan de paar straten met de wonderlijk uitgesleten rotswanden, en de mist die vanaf de rivier door de rustige straten trok. Het laagseizoen was zojuist aangevangen, bijna alle horeca ging dicht en Les Eyzies werd zo wat het stiekem altijd was: een slaperig frans dorpje met een bakkertje, een slagertje, een groezelige peukentent en een barretje of twee. Ik heb vele uren zitten schrijven in de Pôle Internationale, een mediacentrum wat gewijd is aan de studie van de prehistorie. Ik was vaak de enige bezoeker.
Hoewel niet alle grotten in het laagseizoen open waren, gaf deze periode ook het voordeel dat de mensen uit het werkveld iets meer tijd hadden. Het was netwerken geblazen. Ik gaf iedereen die ik kon spreken mijn website en mailadres: in het museum, bij de grotten, in cafés… en overal was de reactie super positief. Iedereen vond het project interessant en bracht me in contact met weer nieuwe mensen. Een gids die ik bij Cap Blanc ontmoette was zo enthousiast dat ze iedereen mailde van haar organisatie, en met een week zat ik aan tafel met monsieur l'administrateur van het Centre des Monuments Nationaux. Het Nationaal Prehistorisch Museum was iets moeilijker te bereiken. Ik probeerde wel twee weken een meeting op te zetten, maar mijn contactpersoon reageerde niet. Maar dit keer had ik de tijd, en Les Eyzies bleek niet zo groot. Via via was ik in contact gekomen met de musicus Pascal Saiga (@passeur_de_notes), die interactieve prehistorische muzieksessies opzet voor het grote publiek. We dronken een paar biertjes in Le Syana, het café tegenover het nationale museum. Hij herkende een paar mensen aan tafels verderop, en jawel, mijn contactpersoon zat daar… en de volgende ochtend zat ik aan haar bureau. Die Franse museumwereld leek eerst zo gesloten, maar toen ik er eenmaal was en een wijntje meedronk viel dat reuze mee.
Gedurende mijn maand in de Dordogne heb ik zo echt een hoop mensen kunnen spreken. Archeologen, professoren, een keer een biertje met de gidsen van de grotten… en eminences grises zoals Serge Maury en Jean-Michel Geneste, die me allebei een avond bij hen thuis ontvingen met huisgemaakte vin noix voor een filosofische discussie over het maken van steentijdfilms. Of professor Francesco d'Errico, die me ontving en een klein college gaf over vruchtbaarheid in de prehistorie in zijn afdeling op de Universiteit van Bordeaux. Iemands vriendin bleek antropologe, en vertelde boven de koffie op de markt dat ze shamanen had bestudeerd in Tibet. Ga zo maar door.
De meest bijzondere ontmoeting was misschien wel in het dorpje Buisson. De banden van mijn oude Ford moesten hier worden vervangen in een garage, en ik zat tijdens het wachten in een koffie te drinken in restaurant La Symphonie. Het soort tent waar iedereen die binnenloopt even de barman begroet, en meestal wel een paar lieden kent die er zitten. Ik zat even te lezen toen een local kwam aanrijden en volop tegen een paaltje reed voor de deur. Hij liep naar binnen en bestelde un pression alsof er niets aan de hand was. Ik raakte hierdoor al snel aan de praat met degene naast mij, en hij vroeg wat ik in de streek deed. Nadat ik vertelde dat ik een film over prehistorische grotkunst aan het maken was, reageerde een oude man twee tafels verderop: "Oh, maar ik heb een grot!" Het bleek niemand minder dan marquise Hubert de Commarque, lokale aristocraat en bezitter van de Grotte de Commarque. Deze kleine en opmerkelijke site bevindt zich onder de ruïne van een gelijknamig middeleeuws kasteel, en is niet meer toegankelijk voor het publiek. Quelle coïncidence! Hier dook ik natuurlijk meteen op af. Ik liet enkele minuten van mijn film zien op mijn telefoon, vertelde over mijn project en dat ik nog enkele weken in de regio was. Hubert, die de bedachtzame manier van spreken had die de oude elite eigen is, reageerde enthousiast. Een bezoek aan zijn grot moest wel te regelen zijn. Het kostte me twee weken aan belletjes, maar uiteindelijk gaf hij op een maandag eind november aan dat ik kon komen kijken. Twee archeologen zouden aan het werk gaan de volgende dag. Of ik niet even de sleutel kon komen halen en de dag erna meenemen naar de grot, hij had er zelf geen tijd voor. Natuurlijk! En zo heb ik een dag rondgelopen met de sleutel van Commarque.

Het was zover. Over kruimelende chemins was ik bij het iconische kasteeltje aangekomen. Terwijl het buiten constant regende gaf de archeoloog Oscar Fuentes mij een tour van deze mysterieuze plek. Slechts één keer, in 1981, was de grot serieus onderzocht sinds dat de gravures in 1915 erkend waren. Dat was voor Oscar de reden om er te werken: het was een bijna vergeten grot, met zeer waarschijnlijk nog geheimen om te ontdekken. Na een relatief kleine kamer bij de ingang, die in de middeleeuwen nog als afvalstortplaats was gebruikt, kom je in een tunnel die eindigt in een T-splitsing. Naar links, een gang met helemaal niets, behalve een komische duif die iemand onlangs moet hebben getekend. Naar rechts, enkele kleine en moeilijk te interpreteren gravures, een klein paardenhoofd, misschien een vrouwensilhouet van het Gönnersdorf-type… We gingen weer naar buiten voor we bij het hoogtepunt kwamen. Oscar wilde checken waar zijn collega bleef. Geen bereik. En we gingen weer naar binnen. Achterin de rechtergrot: het paard. Ja, een fenomenaal basreliëf van een levensgroot paard, enigszins bedekt met calcietaanslag, maar ontegenzeggelijk een meesterwerk. In termen van expressie en realisme had het hoofd zo in het oude Griekenland gemaakt kunnen zijn. Hoewel er meerdere basreliëfs uit dit tijdperk bekend zijn, is dit de enige ter wereld die diep binnenin een grot gemaakt is. Een unicum.

Als dank voor deze bijzondere kans heb ik mijn film vertoond voor de markies. Ik haalde hem op bij zijn gigantische chateau, met de 13e-eeuwse torens, 16e-eeuwse wandtapijten en het kleine kanon uit de Franse Revolutie (de Commarques moeten die prima overleefd hebben, dacht ik). Mijn bioscoop zette ik dan weer op in het chateau van zijn dochter. Hubert en zijn familie waren enthousiast, en toen ik hem weer afzette merkte hij glimlachend op "Tu as profité bien de cette situation je crois!" En dat allemaal omdat ik mijn autobanden liet vervangen en in een café was gaan zitten.
Mijn periode in Frankrijk werd vervolgens kort onderbroken: ik was toegelaten tot de Methodology and Archeometry Conference (MetArh) in Zagreb. Hier mocht ik mijn ideeën presenteren over het maken steentijdfilms. De titel van mijn paper werd This is what it was like: an epistemology for prehistoric filmmaking. Hierin heb ik mijn inzichten uiteengezet over het incorporeren van wetenschap in een fictiefilm. De gesprekken met museummedewerkers, samen met mijn eigen ervaringen als filmmaker en de kennis die ik uit boeken en artikelen heb opgedaan komen in deze tekst samen. Het idee is om op filosofische wijze na te gaan wat het betekent om wetenschappelijk accuraat te zijn in een fictiefilm. Het is immers voor iedereen eenvoudig om in de gemiddelde (pre)historische film fouten aan te wijzen, zoals voorwerpen, dieren of handelingen die niet in het plaatje van een tijdperk passen. Maar om écht accuraat te zijn is nog knap ingewikkeld. Aan de ene kant zijn er heel veel kleine details om rekening mee te houden, maar tegelijk zijn er vaak grote gaten in onze kennis, al helemaal wanneer het gaat om periodes van vele duizenden jaren geleden. Dan is er ook nog de complicatie dat wetenschappers het over veel zaken niet eens zijn. Je kunt niet iedereen blij maken. Maar je kan wel je best doen, en dat draagt mijns inziens ontzettend veel bij aan de esthetiek en de emotionele impact op de kijker. Kortom, genoeg stof tot nadenken. Je kan het allemaal hier lezen.

Deze ideeën presenteerde ik dus op de MetArh conferentie, samengevat op een pakkende poster (zie hieronder). Ik moest een substantieel gedeelte van mijn laatste budget aan het vliegticket uitgeven, maar het was het zonder twijfel waard. Door deel te nemen aan de conferentie en mijn paper te presenteren (al was het maar met een poster presentatie) bevond ik me binnen de kring van wetenschappers. Dit vond ik erg belangrijk voor mijn project, omdat het hierdoor legitimiteit verkreeg. En de conferentie was ook nog eens heel gezellig. Ik heb veel leuke contacten gemaakt, heerlijke gemišt geproefd en bovendien mijn film aan een vergadering archeologiestudenten kunnen laten zien.
Rap vloog ik weer terug richting de Dordogne, waar ik nog enkele dagen had om mensen te spreken voor ik weer doorreisde. Begin december ging ik namelijk naar de Pyreneeën, en bezocht met archeologe Barbara Oosterwijk de grotten van Niaux en Gargas. Epische grotten waar de dromen van vele generaties jagers-verzamelaars zijn bewaard. Niaux, waar een ongelofelijk grote tunnel je 500 meter een berg in leidt, waarna in een ruimte zo groot als een kathedraal een paneel zwarte, zeer verfijnde dierentekeningen je confronteert met onbeantwoordbare vragen over het verleden. En Gargas, waar een gezellig, met handenstencils bedekt groepsvertrek toegang geeft tot een onderaardse wereld met bizarre geologische structuren en wonderlijke tekeningen. Zij die vroeger de ontdekkingstocht doorstonden lieten ook hier hun handafdrukken na, en gaven blijk van hun zin voor avontuur.
Het Franse feest was toen voorlopig klaar (ik mis Les Eyzies zodanig dat ik in mei weer terugga). Ik had nog een week Cantabrië voor de boeg, wat de laatste fase was van de Grand Tour Préhistorique. Dat verhaal hebben jullie nog tegoed.
November-december 2025